Portret: Marieke G. van den DoolHet nieuwe vaarseizoen staat voor de deur, maar veelal moet nog onderhoud of een reparatie worden verricht alvorens van het jacht kan worden genoten. In deze bijdrage belichten wij vanuit het perspectief van de opdrachtgever/eigenaar en van de werf de totstandkoming en werking van het retentierecht.

Vrijwel alle Nederlandse werven hanteren algemene voorwaarden, soms van eigen makelij, doch veelal van de branchevereniging waarbij zij zich hebben aangesloten (VNSI, HISWA, Metaalunie etc.). U dient zich ervan bewust te zijn dat de partij, die zich beroept op de algemene voorwaarden, haar rechten en verplichtingen op de voor haar meest gunstige wijze in deze algemene voorwaarden heeft neergelegd.

Algemene voorwaarden – de beruchte ‘kleine lettertjes’ van de overeenkomst – bevatten bijvoorbeeld bepalingen betreffende de aansprakelijkheid van de werf voor gebrekkige en/of niet-tijdige nakoming, betaling van het door de opdrachtgever verschuldigde en meestal het voor de werf gunstige retentierecht. Het retentierecht geeft aan de werf het recht het jacht, onderdelen daarvan of documenten onder zich te houden totdat de opdrachtgever al hetgeen aan de werf is verschuldigd, heeft voldaan. De werf schort als het ware de verplichting tot teruggave van hetgeen zij onder zich heeft gekregen op, totdat de opdrachtgever van zijn kant aan zijn financiële verplichtingen heeft voldaan.

Alhoewel het retentierecht tot gevolg kan hebben dat u (tijdelijk) de feitelijke macht over uw jacht verliest, kan de werf zich niet op uw jacht verhalen door het te verkopen en de opbrengst aan te wenden ter voldoening van haar vordering. Het retentierecht is slechts een opschortingsrecht en geen verhaalsrecht.

Contractueel retentierecht

Het in de algemene voorwaarden neergelegde retentierecht noemen wij een contractueel retentierecht. Staat het retentierecht niet in de algemene voorwaarden dan kan, indien op de overeenkomst Nederlands recht van toepassing is verklaard, de werf zich beroepen op het wettelijk opschortings- en retentierecht, tenzij u erin slaagt dit ‘weg te contracteren’. Wanneer de opdrachtgever de door de werf gestuurde facturen om wat voor reden dan ook (liquiditeitsgebrek of klachten over de uitgevoerde werkzaamheden) niet betaalt, krijgt de opdrachtgever te maken met de mogelijkheid dat de werf de zaken waaraan gewerkt is onder zich houdt. In een dergelijk geval zullen werf en opdrachtgever zich moeten realiseren of dit retentierecht op de wet is gebaseerd, of dat het ligt verankerd in de overeenkomst. In het laatste geval kan het retentierecht méér omvatten dan wanneer het uitsluitend om het wettelijk retentierecht gaat (het kan bijvoorbeeld ook toepasselijk zijn op oudere facturen, of facturen voor werkzaamheden aan een ander vaartuig van dezelfde opdrachtgever).

Aangezien het retentierecht een ingrijpend recht is, bevat het Burgerlijk Wetboek een aantal vereisten waaraan moet worden voldaan alvorens de werf zijn wettelijk retentierecht rechtmatig kan uitoefenen. Ten eerste moet de werf het jacht in zijn feitelijke macht hebben. Dit betekent dat indien het jacht onbedoeld buiten de feitelijke macht van de werf is geraakt, bijvoorbeeld als het in handen van een derde is gekomen, het wettelijk retentierecht niet meer door de werf kan worden uitgeoefend. Het tweede vereiste betreft de opeisbaarheid van de vordering. Slechts indien de betreffende vordering opeisbaar is, kan het wettelijk retentierecht worden toegepast. Dit geldt niet voor toekomstige vorderingen. Ook moet er sprake zijn van niet-nakoming: de werf mag alleen afgifte weigeren als de opdrachtgever zijn verplichting niet is nagekomen. Vervolgens moet er voldoende samenhang bestaan tussen de niet nagekomen verbintenis en de verbintenis tot afgifte om de opschorting te kunnen rechtvaardigen, bijvoorbeeld doordat de verbintenissen uit dezelfde overeenkomst voortvloeien.

Ten slotte zijn er drie zogenaamde ‘negatieve vereisten’ waardoor de werf geen gebruik kan maken van zijn retentierecht: de werf is zelf in verzuim (schuldeisersverzuim), nakoming is blijvend onmogelijk of er mag geen beslag op het jacht worden gelegd. Aan bovengenoemde vereisten zal moeten worden voldaan.

Voorbeeld

Aan de hand van de volgende casus zal een en ander geïllustreerd worden. Stel, u sluit een overeenkomst met een werf teneinde de motoren van uw jacht een onderhoudsbeurt te laten geven en uw jacht eveneens opnieuw te laten schilderen. Op de overeenkomst zijn de HISWA-voorwaarden van toepassing verklaard. Verder is overeengekomen dat in drie termijnen betaald zal worden. De eerste termijn betreft een aanbetaling van 10%, welke moet worden betaald bij het sluiten van de overeenkomst. De tweede termijn zal twee weken later moeten worden voldaan wanneer de motoren hun onderhoudsbeurt hebben gehad. De laatste termijn wordt twee weken later voldaan. In de tussenliggende periode zal het schilderwerk worden afgerond. U verricht de eerste twee betalingen. Echter, voordat u de laatste termijn betaalt, inspecteert u het jacht en tot uw verbazing zijn de schilderwerkzaamheden niet volgens plan verlopen. Uw jacht is slechts gedeeltelijk bijgewerkt. Vanzelfsprekend weigert u de laatste termijn te voldoen totdat het schilderwerk volledig is afgemaakt. Als na drie weken en diverse verzoeken van uw zijde blijkt dat de werf niet van plan is de klus af te maken, besluit u afgifte van uw schip te verlangen en het resterende schilderwerk door een andere werf te laten afmaken. Op dat moment weigert de werf, met een beroep op het retentierecht zoals dat is vastgelegd in de HISWA-voorwaarden, afgifte van het jacht.

Met uw nieuw vergaarde kennis van het retentierecht kunt u thans nagaan of de werf zijn retentierecht rechtmatig kan uitoefenen. Het jacht ligt op de werf, de datum waarop de laatste termijn voldaan had moeten worden, is reeds verstreken en u heeft de laatste termijn niet betaald. Aan de eerste drie vereisten is derhalve reeds voldaan. Van samenhang tussen de verbintenissen is eveneens sprake, nu de verbintenis van de werf tot afgifte en uw betalingsverbintenis uit dezelfde overeenkomst voortvloeien. Op het eerste gezicht lijkt de werf het recht dus aan zijn zijde te hebben. Echter, het eerste negatieve vereiste, het zogenaamde schuldeisersverzuim, weerhoudt de werf er in dit geval van om rechtmatig zijn retentierecht uit te oefenen. Aangezien de werf de schilderwerkzaamheden niet conform de overeenkomst heeft uitgevoerd, is zij – nadat u de werf correct in gebreke heeft gesteld – zelf in verzuim en derhalve niet gerechtigd om afgifte van uw jacht te weigeren. Volhardt de werf en blijft zij afgifte weigeren, dan is het mogelijk in rechte afgifte van uw jacht te vorderen (bijvoorbeeld door middel van een kort geding tot afgifte).

Uit het voorgaande blijkt dat het voor u nadelige retentierecht mogelijk kan worden afgeweerd door na te gaan of de werf in een specifiek geval inderdaad een beroep kan doen op het retentierecht. Dat het retentierecht is opgenomen in de algemene voorwaarden wil immers niet zeggen dat het altijd rechtmatig kan worden uitgeoefend.

Reactiemogelijkheid uitgeschakeld