Portret: MR. Arnold J. van SteenderenJachteigenaren en zij die het zullen worden, houden rekening met vaarseizoenen en die hangen af van het beoogde vaargebied. Het is immers niet de bedoeling dat een nieuw gebouwd jacht direct na de levering voor enige tijd moet worden opgelegd, omdat het seizoen juist voorbij is. Het belang van een tijdige – dat wil zeggen op de met de werf overeengekomen datum – levering wint nog aan gewicht wanneer het jacht uitsluitend of ten dele commercieel zal worden verhuurd. In onze praktijk zien wij dan ook veelvuldig dat opdrachtgevers hun belang bij een tijdige levering kracht willen bijzetten door het opnemen in het bouwcontract van een boetebepaling voor te late levering, of in veel mindere mate, een beloning bij tijdige levering.

Om met dit laatste te beginnen: het in het vooruitzicht stellen van een beloning bij tijdige levering is met name populair onder opdrachtgevers. Wanneer de werf presteert conform hetgeen is overeengekomen, is ook geen goede reden te bedenken waarom zij daarvoor extra zou moeten worden beloond. Anderzijds valt te vrezen dat een werf bochten zal gaan afsnijden om maar tijdig te zijn. Dit komt de kwaliteit van het te bouwen schip niet ten goede.

De ‘straf’ voor te laat leveren verdient daarom de voorkeur. Hiervoor werd over ‘boetebepaling’, ook wel ‘boetebeding’ gesproken. Omdat de wijze van formuleren van belang is, zal ik wat langer stilstaan bij een voorbeeld. Op 1 januari 2008 is een bouwcontract getekend en daarin is opgenomen een leverdatum van 15 april 2010. Het gaat om een motorjacht dat per 1 juni 2010 vanuit La Napoule aan de Franse Rivièra door de eigenaar zal worden verhuurd. Verwachte huuropbrengst is € 150.000 per week exclusief brandstof, voedsel en havengelden. De begrote ca. zes weken na levering zijn nodig om het schip uit te rusten, de bemanning in te werken en het jacht in positie te brengen. In het bouwcontract wordt de bepaling opgenomen:
“Bij levering na 15 april 2010 is de werf in verzuim, behoudens overmacht of een andere niet-toerekenbare tekortkoming (zoals gedefinieerd) en zal de opdrachtgever het recht hebben voor iedere dag van verzuim een bedrag van € 10.000,- af te trekken van de bij levering door hem aan de werf verschuldigde laatste termijn.”

De levering van het jacht wordt vertraagd tot 15 juni 2010 door verschillende oorzaken:

a) Partijen komen een aantal meerwerken overeen, die een levertijdconsequentie hebben;
b) de door de werf gekozen interieurbouwer heeft eerst te weinig personeel en gaat vervolgens failliet;
c) het coatingwerk van de romp wordt door de opdrachtgever in maart 2010 afgekeurd en de werf gaat over tot herschilderen;
d) enige toeleveringen van onderdelen door de opdrachtgever komen later dan afgesproken.

De oplevering is te laat, maar komt dat voor rekening van de werf en zo ja, geheel of ten dele?

Allereerst: weet dat ‘overmacht’ geen vastomlijnd begrip is. De wet spreekt over een tekortkoming, welke niet te wijten is aan de schuld van de betrokkene en ook niet volgens de wet voor zijn risico komt. De persoonlijke omstandigheden, zoals financieel onvermogen, onbekwaamheid en onervarenheid en werkstakingen bij het bedrijf van de schuldenaar leveren geen overmacht op. Partijen zijn echter vrij in hun overeenkomst een beperkte of ruime overmachtsbepaling op te nemen. Zo kunnen bepaalde omstandigheden uitdrukkelijk wel binnen de ontsnapping via overmacht worden gebruikt, zoals bijvoorbeeld: onwerkbaar weer, hoog of laag water, elektriciteitsstoringen, een gebrek aan bepaalde grondstoffen et cetera. De opdrachtgever doet er goed aan de overmachtsbepaling zo beperkt mogelijk te houden. Bouwcontracten plegen ten gunste van de werf een opsomming van gebeurtenissen te bevatten, die weliswaar geen overmacht opleveren, maar die aan de kant van de werf toch niet tot verzuim leiden. Voorbeelden: het te laat keuren van voorgelegde tekeningen, de tijdsconsequenties van meerwerken, te late levering van ownersupplies en niet-tijdige betaling door de opdrachtgever van de bouwtermijnen. Zo zullen de omstandigheden uit het voorbeeld sub (a) en (d) doorgaans niet tot verzuim van de werf leiden en die onder (b) en (c) wel.

Ten slotte de formulering van het boetebeding. In het algemeen geldt dat de rechter desgevraagd een opgelegde boete kan matigen, maar dat een tevoren door partijen overeengekomen gefixeerde schadevergoeding eerder in stand zal worden gelaten.
Wanneer een ‘boetebeding’ in feite een schadevaststellingsbeding is, vindt geen matiging plaats, aldus de Hoge Raad in het Electrabel/Ohra arrest.

Reactiemogelijkheid uitgeschakeld